Model: VN-EN-BK-GMIS
Beschikbaarheid: Op voorraad
€ 18,95
Excl. BTW: € 17,88

Tijdens de zes maanden durende uitzending naar de enclave Srebreniça is hij gegijzeld, beschoten en heeft hij te maken gehad met enorme tekorten. 

Henk Voets (1964) geboren te Assen (Dr) en opgegroeid in Friesland en Drenthe. In 1994 werd hij met Dutchbat II uitgezonden naar de moslimenclave Srebreniça. Tijdens de zes maanden durende uitzending is hij gegijzeld, beschoten en heeft hij samen met de lokale bevolking te maken gehad met enorme tekorten waardoor ze van alles moesten doen om in leven te blijven. Omdat er geen brandstof was, heeft hij bomen moeten kappen in de enclavegrens en werd hij verantwoordelijkheid voor de houtopslag op de compound. Op den duur begon hij te wennen aan de beschietingen, als er een rustige nacht was geweest dan klopte er iets niet. Toen hij eindelijk toestemming kreeg om met verlof te gaan ontmoette hij iemand in Nederland die hem hard nodig bleek te hebben. Eenmaal terug in de enclave begon de zoektocht die onmogelijk leek te zijn.

Even proeven van het boek, lees hieronder een deel uit het boek:

Op de momenten dat de vuilnismannen ons vuil gingen dumpen moesten wij er altijd achteraan rijden. Hiermee voorkwamen we dat jongens op de rijdende vuilnisauto sprongen en tijdens het stelen van  afval eenvoudig konden verongelukken. Met plastic zakken liepen mannen en vrouwen naar de stortplaats om alles wat eetbaar was uit de vuilnisauto te graaien. Het liefst deden ze dit al voordat hij zijn lading op de grond dumpte. Op de vuilnisbelt (een gewone berghelling) was het namelijk altijd enorm druk, daarom werd de menigte door de lokale (corrupte) politie op een afstand gehouden zodat zij eerst zelf de lekkerste dingen eruit konden halen. Dit gebeurde met gummi knuppels waar hard mee werd geslagen zodra iemand het waagde om zich te vroeg op het vuil te storten. Daarna werd de menigte 'losgelaten' om eindelijk de lekkere dingen uit ons vuil te kunnen bemachtigen. De eerste keer dat ik het zag schrok ik ervan, dit was echte armoede...ze sloegen elkaar de hersens in voor ons afval. Het grote probleem was natuurlijk dat veel te weinig voedseltransporten toestemming kregen om onze enclave te bevoorraden. De mensen hadden duidelijk honger. Ik herinner me dat ik een soort plaatsvervangende schaamte kreeg, omdat wij het, in vergelijking met deze mensen, erg goed hadden. Wij hadden tenminste nog eten. Ik kon me niet voorstellen hoe het was om in andermans afgedankt vuil te graaien op zoek naar mogelijk al bedorven eten. Het ergste was natuurlijk dat wij moesten wachten tot de vuilnisauto leeg was en weer terug ging naar onze compound.


Ook hadden we de lokale brandweerauto met brandweerlieden ingehuurd om bij een eventuele brand op de compound, het vuur te kunnen blussen. Natuurlijk mocht ook dit voertuig bij ons aftanken, maar vanwege de brandstofschaarste moesten wij goed controleren of er niet werd gefraudeerd. We hebben regelmatig met brandstofdiefstal te maken gehad. Met deze brandstof kon natuurlijk ook gehandeld worden, de brandstof had een hoge marktwaarde. Ondanks het feit dat we zeker wisten dat de brandweerlieden schuldig waren, konden we ze weinig maken. We hadden hen hard nodig. Tegenover onze bar met de naam 'plaza Svinje' lag onze aftanklocatie en daar stonden ook de jerrycans. Dezelfde dag dat de diefstal bekend werd, hebben we een afsluitbaar brandstofhok gebouwd.

Vanwege het enorme tekort aan voedsel en kleding namen veel collega's na hun verlof babykleertjes en babyvoeding mee voor de locals. Ook namen we vanuit Nederland schoolspullen mee, zodat de in onze tijd geopende alternatieve school lesmateriaal had voor de kinderen. Omdat het aan zoveel ontbrak, werd er natuurlijk veel gehandeld. Zelfs 's nachts kwamen soms dames bij de observatieposten langs om sigaretten en noodrantsoenen te bemachtigen bij het wachtpersoneel. Incidenteel betaalden ze in natura .
Natuurlijk was dit verboden, daarom gebeurde dit alleen 's nachts zodra iedereen lag te slapen. De dames bleven net buiten het hek staan en konden zo toch hun handelingen verrichten. Daar werden ze dan voor beloond.

Op een dag kwamen twee soldaten bij mij want ze waren betrapt door de dominee. De avond ervoor hadden ze noodrantsoenen verhandeld aan het hek om uit hout gesneden violen te verkrijgen van locals. En toevallig was onze dominee aan het joggen en zag wat er gebeurde. De jongens hadden dus enorme pech en moesten op rapport komen bij de commandant. De commandant wilde een voorbeeld stellen, want handelen aan het hek kon eenvoudig gevaar voor ons opleveren; zo wisten wij natuurlijk niet of de handelaars wel betrouwbaar waren. De zaak werd aanhangig gemaakt bij de bataljonsstaf, waardoor de twee soldaten wel eens gerepatrieerd zouden kunnen worden, althans dit werd hen verteld. Zeker was dat de jongens enorm waren geschrokken, omdat ze zich niet van zoveel kwaad bewust waren. Ze wilden alleen maar die uit hout gesneden snuisterijen hebben als aandenken, daar ging het hen om. En omdat ik hun groepscommandant was vroegen ze mij om hulp. Ik was wel blij dat ze naar me toe kwamen, misschien kon ik ze helpen. Aangezien ik met ze te doen had besloot ik om de volgende ochtend vroeg naar onze bataljonscommandant te gaan om een goed woordje voor deze jongens te doen. Ze wilden tenslotte niets verkeerd doen. De commandant toonde gelukkig begrip voor de situatie. En door deze vervelende toestand ontstond het idee om zondags een aantal locals toegang te verlenen tot de compound die dan hun spulletjes te koop konden aanbieden in de eetzaal. Vooral houten violen, schildjes en diverse soorten banjo's  waren erg in trek. De jongens hoefden gelukkig niet weg, ze konden blijven, maar handelen aan het hek was verleden tijd geworden.


Af en toe kreeg UNHCR (United Nations High Commissioner for Refugees) toestemming om de enclave in te komen, dan verzorgden wij de begeleiding (force protection) van hun konvooi en werden ze naar het warenhuis van Srebreniça geëscorteerd. Dan liep iedereen naar het warenhuis om te zien wat er binnen kwam. Lange rijen vormden zich er dan, omdat de levensmiddelen vrijwel meteen werden uitgedeeld. Aangezien UNHCR veel te weinig toestemming kreeg om de lokale bevolking van levensmiddelen te voorzien, duurde het niet lang tot het weer drukker werd op de vuilnisbelt en op straat. Dan waren hun voorraden weer tot een dieptepunt gedaald.

Omdat ik verantwoordelijk was voor de brandstof en wij ook een aantal bovengrondse brandstoftanks hadden die al geruime tijd leeg stonden, kreeg UNHCR van Dutchbat toestemming om de brandstof die bestemd was voor de aggregaten in het lokale ziekenhuis, bij ons op te slaan. De Russische chauffeur van het konvooi vertelde mij dat hij een dubbele bodem in zijn tank had zitten, omdat hij onderweg naar de enclave werd gecontroleerd om te kijken hoeveel brandstof er de enclave inkwam. Op deze manier smokkelde hij altijd extra brandstof naar binnen.

Dat er een chronisch tekort aan kleding was, werd mij de eerste week al duidelijk; ik zag kinderen die liepen op stukken autoband, de zool was in de vorm van een schoen gesneden en met touwen eromheen droegen ze zo geïmproviseerde schoenen. Ook droegen ze versleten T-shirts en broeken. Verder was er amper speelgoed aanwezig waardoor de verveling zichtbaar aanwezig was. Vooral bij ouderen zag je veel uitgevallen tanden. Dit kwam natuurlijk vooral door de slechte voeding en gebrek aan tandheelkundige zorg.

Wat er in overvloed was, kwam vanuit de bergen naar beneden gesijpeld, dit zie je altijd in bergachtige gebieden. Elke dag gingen mannen en vrouwen er op uit om cans te vullen met water dat via geultjes uitmondde in een soort openbare wasbak.

In het begin verbaasde ik me over de hoeveelheid mensen die aan de rand van de weg heen en weer liepen van Potoçari naar Srebreniça, maar later werd mij duidelijk dat ze zich verveelden en ze simpelweg niets anders te doen hadden. Hun tijd werd vooral opgevuld met het verzamelen van hout en water. Van het hout werden zoals al gezegd muziekinstrumenten gemaakt. Deze instrumenten werden gebruikt om te ruilen tegen noodrantsoenen en sigaretten, maar ik heb ook meegemaakt dat ze wilden ruilen tegen kleding. Er werd mij zelfs een jonge vrouw aangeboden omdat haar oudere broer mijn korte gecamoufleerde broek wilde hebben. Het was duidelijk dat hun grenzen ernstig waren vervaagd.

Natuurlijk werden er ook veel kinderen geboren, dit was niet zo verwonderlijk. Er was immers helemaal niets te doen, de verveling was dus groot. En vanwege een tekort aan levensmiddelen, dus ook babyvoeding en luiers, zorgde dit voor schrijnende toestanden. Iedereen deed zijn best om in leven te blijven.

De eerste week in de enclave was zeer vermoeiend. Ik lag iedere avond vroeg in bed, ik merkte dat de indrukken best heftig waren. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt en ik was niet de enige die het zo ervoer. Die week nam mijn opvolgend pelotonscommandant (OPC) mij mee naar een aantal observatieposten (OPs) die aan de rand van de enclave lagen. Deze OPs hadden de taak om de partijen uit elkaar te houden en ze te ontwapenen. De patrouilles te voet tussen de OPs moesten hieraan bijdragen. Omdat we met slechts twee infanteriecompagnieën (zeg tweehonderdenvijftig man totaal) aanwezig waren om een gebied van vijf bij tien kilometer af te dekken, was dit natuurlijk bij voorbaat al een onmogelijke taak. Dit was ook de reden dat de overige eenheden regelmatig sociale patrouilles uitvoerden ter ondersteuning. Ook werden de commando's regelmatig op pad gestuurd om vooral in grensgebieden van de enclave te polsen wat de Bosnische Serviërs uitspookten. Vanaf het begin werd ons op het hart gedrukt dat er luchtsteun zou komen als we die nodig hadden. Die luchtsteun bleken we later ook nodig te hebben.

Toen we naar de observatiepost reden kwamen we een groep kinderen tegen op het geitenpad. Ze begonnen onmiddellijk te roepen: 'Bonbon, bonbon.' Er was echter een lief klein meisje van een jaar of zes dat alleen maar vriendelijk lachte. Ik keek mijn OPC aan en we reden verder richting de OP. Bij de OP kregen we uitleg over de Servische stellingen waar ze zicht op hadden en overige zaken waar ze dagelijks mee te maken hadden. Als er veranderingen werden waargenomen dan gaven ze dit zo snel mogelijk door aan onze bataljonsstaf, zodat er actie op genomen kon worden. Vanwege de ligging en het roulatieschema van het personeel waren de OPs geheel zelfstandig ingericht.  Zo hadden ze een logistieke voorraad van een aantal dagen zodat ze het alleen konden redden.
 
Na een paar uur reden we via hetzelfde geitenpad terug naar beneden en de groep kinderen stond er nog steeds. Het lieve kleine meisje viel ons onmiddellijk op, want ze droeg een grote bos bloemen in haar handen. De andere kinderen riepen weer om snoep maar zij niet….Ik zag hoe ze naar ons toe liep waarop de OPC de auto stopte. Hij draaide zijn raam verder open en het meisje gaf, met een grote glimlach op haar gezicht, de grote bos bloemen aan de OPC. We bedankten haar en reden langzaam verder…ik zag mijn OPC slikken en in zijn ogen wrijven...Het bijzondere was natuurlijk dat zij, in tegenstelling tot alle andere kinderen, niets van ons wilde, zo leek het althans... Misschien was zij nog niet getekend door de oorlog, zo kwam ze op ons over, als een zuiver en onbevangen meisje. En die confrontatie deed wel iets met ons, waarschijnlijk speelde het mee dat wij ook jonge kinderen hadden.

We reden de berg af en zeiden vrijwel niets, we waren duidelijk onder de indruk van het meisje. We werden verdrietig omdat zij, net als al die anderen, onder deze omstandigheden moest leven, en we hadden respect voor haar onbevangenheid.
Halverwege de berg stopten we langs de kant van de weg omdat een paar mannen ons wenkten. Ze waren net bezig om sterke drank uit een mobiele distilleerderij te laten druppelen, de drank kwam er heet uit en wij mochten een slokje proberen. Zo vergaten we het meisje een klein beetje.

Eigen merk
Veteraan Geschreven en uitgebracht door een veteraan

Geef beoordeling

Om een beoordeling te schrijven moet u inloggen of zich registreren